Toezichthouders zijn de ‘ogen en oren’ (en soms de neus) van B&W (als bevoegd gezag om te handhaven). Het controleren zelf is daarmee feitelijk van aard. Het komt daarom niet zo vaak voor dat onze hoogste bestuursrechter iets zegt over de kwaliteit van controles van toezichthouders. Maar controles uitvoeren op momenten dat er geen overlast is, is natuurlijk niet handig. En kan zelfs leiden tot een flinke tik op de vingers van B&W.
Prima onderzoek
In deze zaak diende een omwonende van een veehouderij meerdere klachten in bij de gemeente over geluidsoverlast van feesten in een ruimte boven een van de veestallen. Toen dit geen resultaat had, verzocht hij uiteindelijk om handhaving.
Na een tweetal controles (op een vrijdag en een zaterdag tussen 22 u en 23 u) waren B&W echter van mening dat er niets aan de hand was. Het handhavingsverzoek werd daarom afgewezen. Ook het bezwaar tegen dit besluit werd van tafel geveegd.
Ondanks het summiere onderzoek, was ook de rechtbank van mening dat de toezichthouders een prima onderzoek hadden verricht. Omdat er geen overtredingen waren geconstateerd, hadden B&W geen bevoegdheid om handhavend op te treden.
Gebrekkig onderzoek
“Maar de bak herrie ontstaat pas veel later! Namelijk ’s nachts tussen 01 u en 02 u. Dan gaan de feestneuzen weer naar huis!” Aldus de – inmiddels – gefrustreerde omwonende.
De Afdeling was onverbiddelijk: “Deze controles zijn niet adequaat! En wel om meerdere redenen:
- Uit het langdurige klachtenpatroon was klip en klaar af te leiden dat de geluidsoverlast in de nachtelijke uren plaatsvond;
- Ook vonden de controlemomenten plaats in de zomervakantie. En toen waren er kennelijk geen feestjes. Deze controlemomenten waren dus niet als ‘representatieve resultaten’ te betitelen;
- En verder bleek nergens uit dat de toezichthouders aan andere omwonenden hadden gevraagd of zij ook geluidsoverlast hadden ervaren. Dat de gemeente van andere omwonenden geen melding hadden ontvangen is geen excuus.”
Huiswerk
Het gevolg was vernietigend voor het bestreden besluit (de afwijzing van het handhavingsverzoek). Bij de voorbereiding van dit besluit hadden B&W immers de feiten niet op een rijtje (artikel 3:2 Awb) en daarmee was de motivering van het besluit op bezwaar ook onder de maat (artikel 7:12, eerste lid Awb).
B&W kregen dus ‘huiswerk’ mee. “Controleer deze keer in een representatieve periode in de nachtelijke uren in het weekend of er sprake is van geluidsoverlast en neem dan een nieuw besluit op bezwaar.” Aldus onze hoogste bestuursrechter.
“Geef mij de feiten, dan geef ik u het recht”
Voor de goede orde, er zijn veel toezichthouders die prima werk verrichten. Maar deze uitspraak geeft nog eens aan welke verantwoordelijkheid toezichthouders dragen om de ‘feiten’ goed in beeld te brengen.
Een jurist voert de discussie op basis van de ‘feiten’. En de beantwoording van rechtsvragen door onze bestuursrechters begint ook met het vaststellen (het bewijzen) van de ‘feiten’.
“Geef mij de feiten, dan geef ik u het recht.” Deze uitdrukking lijkt immers ook in ons bestuursprocesrecht een grotere rol te spelen. Maar dan moeten de ‘feiten’ wel kloppen natuurlijk.
Bron: ABRvS 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5403